![]() |
Open
School voor Volwassenen
Dé opleidingsverstrekker voor volwassenen met een lagere opleiding |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
DE MAATSCHAPPELIJKE OPDRACHT VAN DE BASISEDUCATIE |
|
|
De centrale opdracht van de basiseducatie omschrijven we als een combinatie van de opvatting van basiseducatie als een voorziening voor elementaire basisvorming en de opvatting van basiseducatie als initiatief ter bestrijding van educatieve achterstelling. ELEMENTAIRE BASISVORMING De basiseducatie moet volwassenen (beter) toerusten met basiscompetenties die nodig zijn om in de hedendaagse samenleving te functioneren. Deze opvatting verwijst naar het gedachtengoed van permanente vorming en wil mee een antwoord bieden op de steeds complexer wordende samenleving. EDUCATIEVE ACHTERSTELLING BESTRIJDEN Educatieve achterstelling is geen probleem van individuele volwassenen. Het is structureel verbonden met andere aspecten van maatschappelijke ongelijkheid. De basiseducatie moet deze vicieuze cirkel doorbreken en de deelnemers beter toerusten om gelijkwaardig aan de samenleving te participeren. Er is dus sprake van een emancipatorische rol voor laaggeschoolden. De leervragen van de cursisten en de contexten waaruit deze leervragen ontstaan, zijn belangrijke invalshoeken voor de invulling van het cursusaanbod. De basiseducatie heeft als kerntaak het beter toerusten van laaggeschoolde volwassenen met basiscompetenties die zij nodig hebben voor het gelijkwaardig functioneren in diverse aspecten van het maatschappelijk leven. Het educatief aanbod staat in functie van het bestrijden van educatieve en maatschappelijke achterstelling. De term 'competentie' verwijst naar het geheel van kennis, vaardigheden, inzichten en houdingen. De term 'basis' verwijst naar: taal-, reken-, sociale competenties die essentieel zijn voor het goed functioneren in de samenleving. |
|
|
DE BASISEDUCATIE ALS EDUCATIEF PROJECT |
|
|
Tot de kernopdracht van de basiseducatie behoort het verzorgen van een educatief aanbod en het tegemoet komen aan de educatieve vragen van laaggeschoolden. Uiteraard zijn er raakvlakken tussen de basiseducatie enerzijds en de hulpverlening, opbouwwerk, sociaal-cultureel werk, enz. anderzijds. Het is een kenmerk van de basiseducatie om de uitvoering van haar educatieve opdracht niet op een eiland te organiseren. De aandacht voor de totale persoonlijke en maatschappelijke context van de deelnemers komt op verschillende manieren tot uiting: in de aanpak en werkwijze in de cursussen, bij het opzetten van specifieke samenwerkingsprojecten, in de aandacht voor de cursistenbegeleiding en doorverwijzing, ... |
|
|
DE BASISEDUCATIE ALS BASIS- EN OPSTAPVOORZIENING IN HET EDUCATIEVE BESTEL VOOR VOLWASSENEN |
|
|
De basiseducatie heeft een dubbele functie:
Basiseducatie heeft de opdracht om laaggeschoolden die dit wensen, toe te rusten met de nodige basiscompetenties (taal, rekenen, sociale kennis en vaardigheden) die voorwaardelijk zijn om te kunnen participeren in vormings-, opleidings- en onderwijssituaties en werksituaties. Een opstapvoorziening heeft als uitdrukkelijke bedoeling om de opstap of participatie aan een bepaalde opleidings-, onderwijs-, vormings-, ontwikkelings- en werksituatie mogelijk te maken. De inhoud van de cursus is specifiek gericht naar die situatie en hierdoor begrensd. Een opstapvoorziening is specifiek voor doelgroepen (selectiecriteria) en heeft consequenties naar werving. |
|
|
ALGEMENE DOELEN BASISEDUCATIE |
|
|
INDIVIDUELE DOELEN De basiseducatie komt tegemoet aan individuele educatieve doelen van laaggeschoolden. Deelnemers willen bijleren om iets te doen aan hun gebrek aan opleiding, aan het gevoel niet mee te kunnen of minderwaardig te zijn, aan hun geringe kansen tot participatie in de samenleving of op de arbeidsmarkt,... Als antwoord hierop wil de basiseducatie deze laaggeschoolde volwassenen (beter) toerusten met basiscompetenties die nodig zijn voor deelname aan sociale, professionele en educatieve situaties. Het verwerven van basiscompetenties heeft -zoals hoger gesteld- betrekking op het geheel van kennis, vaardigheden, inzichten en verhoudingen. Het doel is de handelingsbekwaamheid van de deelnemers te vergroten, in de ruime zin van redzaamheid, ontplooiing en weerbaarheid. MAATSCHAPPELIJKE DOELEN 1. De basiseducatie heeft tegelijke maatschappelijke doelen. Het is niet alleen belangrijk dat individuele volwassenen in de samenleving beter kunnen functioneren. Een betere spreiding van basiskennis en basisvaardigheden is ook van belang voor de hele samenleving. Het bevordert dat alle burgers de veranderingen en evoluties in de samenleving kunnen volgen. Het verhoogt de kansengelijkheid en maatschappelijke participatie. Het verstevigt het democratisch gehalte van de samenleving. Tenslotte verhoogt het de onderwijs-, opleidings- en arbeidskansen. 2. De basiseducatie functioneert niet in een maatschappelijk vacuüm. Ontwikkelingen in de samenleving zijn van invloed op de rol en de functie van de basiseducatie. De basiseducatie kan in dit licht gezien worden 'als instrument' voor het realiseren van maatschappelijke doelen. Ook de overheid schrijft impliciet of expliciet bepaalde verwachtingen of opdrachten toe aan de basiseducatie met betrekking tot het bestrijden van maatschappelijke problemen. Denken we maar aan werkloosheid, kansarmoede, positieverbetering van migranten, enz. Zo kan de basiseducatie bijvoorbeeld een rol spelen in het maatschappelijk probleem van de integratie van migranten en nieuwkomers door haar aanbod Nederlands als tweede taal. 3. De basiseducatie heeft ook een signaalfunctie ten aanzien van onderwijs en andere sectoren van het openbaar leven. Zij kan wijzen op hiaten en tekortkomingen van het onderwijs en andere maatschappelijke sectoren (voorlichting, dienstverlening, enz.) t.a.v. laaggeschoolden. Denken we maar aan het moeilijke taalgebruik in de informatie van de overheid. VERSCHILLENDE NIVEAUS VAN DOELEN De maatschappelijke doelen zeggen als dusdanig weinig over het cursusaanbod waardoor ze gerealiseerd kunnen worden. Hiervoor zijn functionele doelen nodig, die een concrete vertaling zijn van de algemene doelen. Het gaat om maatschappelijke doelen, algemene handelingsdoelen, houdingsdoelen en functionele doelen. |
|
| DE DOELGROEP | |
|
ALGEMENE TYPERING Aansluitend bij de maatschappelijke opdracht van de basiseducatie kunnen we de doelgroep omschrijven als: volwassenen die over onvoldoende basiscompetenties beschikken om redzaam in de samenleving te functioneren en volwassenen die laaggeschoold en educatief achtergesteld zijn In de omschrijving worden twee aspecten met elkaar verbonden: 1.
laaggeschooldheid: een geringe of beperkte opleiding De prioritaire en exclusieve gerichtheid op de doelgroep van de laaggeschoolden en educatief achtergestelden is een essentiële pijler van de basiseducatie. SCHOLINGSGRAAD ALS CRITERIUM De bovenstaande omschrijving geeft een algemene en inhoudelijk typering, maar ze kan moeilijk geoperationaliseerd worden. Een meer hanteerbare omschrijving is nodig. Om onbedoelde verruiming van de doelgroep te vermijden, opteren we ervoor om de doelgroep af te bakenen op grond van de vroegere scholingsgraad. Dit is echter geen sluitend criterium. De doelgroep van de basiseducatie kunnen we dan omschrijven als: niet-meer-leerplichtige volwassenen die een geringe of beperkte schoolopleiding genoten en voor wie het onvoldoende beheersen van basiscompetenties een belemmering betekent voor hun functioneren in persoonlijke, maatschappelijke of professionele situaties. Als maximum-scholingsgrens geldt: geen getuigschrift behaald hebben op het niveau van het lager secundair onderwijs, behalve een getuigschrift van het lager secundair beroepsonderwijs, of na de hervormingen in het secundair onderwijs halfweg de jaren '90 geen getuigschrift behaald hebben van het tweede leerjaar van de tweede graad met uitzondering van het beroepsonderwijs. Voor migranten en anderstaligen die de Nederlandse taal willen leren, kunnen we die regel niet hanteren omdat ze te weinig rekening houdt met het gevolgde onderwijs in het land van herkomst. In dit geval is de regel voor de maximale scholingsgrens maximaal 10 jaar onderwijs gevolgd hebben of maximaal tot 16 jaar naar school geweest zijn in het land van herkomst. NOOD AAN EEN KWALITATIEVE OMSCHRIJVING Het is wenselijk dat we in de toekomst een meer kwalitatieve omschrijving van de doelgroep hanteren. Als er een afbakening bestaat van de basiscompetenties die essentieel zijn voor het maatschappelijk functioneren, dan zouden we dit kunnen gebruiken als een kwalitatief criterium voor de afbakening van de doelgroep. Dit mag evenwel geen onbedoelde verruiming of uitsluiting van doelgroepen met zich meebrengen. In deze problematiek moet men ook steeds meer gaan rekening houden met een benedengrens voor de basiseducatie. |
|
| HET EDUCATIEF AANBOD | |
|
BASISCOMPETENTIES Het
educatief aanbod in de basiseducatie is gericht op het verwerven van basiscompetenties
die essentieel zijn om in de samenleving te kunnen functioneren en er
aan te kunnen participeren. Deze basiscompetenties beperken zich wat de
basiseducatie betreft tot taal-, reken-, ICT- en sociale competenties.
Rond deze basiscompetenties kunnen verschillende soorten cursusprogramma's opgezet worden. Hiervoor is een referentiekader of stramien ontwikkeld (door het VOCB). In dit stramien worden de verschillende invalshoeken voor de uitbouw van het cursusaanbod in de basiseducatie beschreven.
EEN BREED EN GEVARIEERD AANBOD Om op de verschillende leervragen van laaggeschoolden een antwoord te kunnen bieden moeten we streven naar een samenhangend cursusaanbod dat een breed scala van leermogelijkheden op het niveau van de basiseducatie biedt. In een breed gevarieerd en samenhangend cursusaanbod gaat het er om dat:
BASISCOMPETENTIES AFBAKENEN Bovenstaande omschrijvingen van het educatief aanbod maken onvoldoende duidelijk wat deelnemers in de basiseducatie kunnen leren. In de nabije toekomst zijn inspanningen nodig om tot een omschrijving te komen van de basiscompetenties die deelnemers binnen de basiseducatie kunnen verwerven. Voor de verdere ontwikkeling en profilering van de basiseducatie is een overzicht en afbakening van deze basiscompetenties onontbeerlijk. |
|
| HET PEDAGOGISCH CONCEPT EN DE KENMERKEN VAN HET AANBOD | |
|
Naast de doelen, de doelgroep en het aanbod, zijn ook de educatieve aanpak en de werkwijze essentiële kenmerken die de eigenheid van de basiseducatie omschrijven. We spreken in dit verband van het pedagogisch concept van de basiseducatie, waarin de volgende aspecten centraal staan. FLEXIBELE PROGRAMMATIE MET EEN OPEN EN CURSISTGERICHT KARAKTER Het Centrum voor Basiseducatie heeft een open en cursistgericht karakter. De openheid komt tot uiting in verschillende scharniermomenten van het leerproces: bij de instap, de voortgang en de uitstroom. In een aanbod met een open toegang zijn er flexibele instapmogelijkheden. Een open en cursistgerichte voortgang betekent dat het halen van tussen- of einddoelen niet aan een vast tijdsschema gebonden is. De leervorderingen worden doorlopend gevolgd en bijgestuurd en niet enkel op één tijdstip aan het einde van een proces vastgelegd. Open uitstroom houdt in dat uitstroom mogelijk is op verschillende niveaus, waarbij de cursisten zoveel mogelijk kiezen welk eindniveau zij willen bereiken. Leerdoelen worden in overleg tussen de cursist en de begeleider gekozen, zodat de leer- en/of doorstromingswensen van de cursist centraal staan in het cursusprogramma. FUNCTIONELE GERICHTHEID Het leren van kennis en vaardigheden is steeds gericht op het vergroten van de handelingsbekwaamheid en de zelfstandigheid van de deelnemer. Deze functionele gerichtheid is het wezenskenmerk van de basiseducatie. Het betekent dat het leren uiteindelijk gericht is op het kunnen en durven toepassen van het geleerde in dagelijkse handelingssituaties. Het criterium van de funcionaliteit heeft consequenties voor de selectie van kennis en vaardigheden die in een cursus aan de orde zijn. Bijvoorbeeld voor de selectie in een cursus Nederlands voor anderstaligen beginners is het kunnen verwoorden dat men de vragen van de dokter niet begrijpt een belangrijke doelstelling, maar het correct kunnen benoemen van alle lichaamsdelen in het Nederlands niet. LEREN IN GROEP Het leren van kennis en vaardigheden gebeurt steeds in groep. De interactie tussen de deelnemers heeft een meerwaarde en is kenmerkend. ERVARINGSGERICHT De leervragen van de cursisten worden op zo'n wijze behandeld, dat de context waarin deze leervragen voor de deelnemers relevant zijn, een onderdeel zijn van het leerproces. LEERDOMEINOVERSCHRIJDEND Verschillende leerdomeinen kunnen binnen één cursusprogramma gecombineerd worden. In elk cursusprogramma komt het aspect sociale vaardigheden impliciet aan bod. TOTALE PERSOONSONTWIKKELING In de cursus moet voldoende aandacht zijn voor de houdingsaspecten, voor leerbelemmeringen en voor de totale persoonsontwikkeling. SAMENHANG TUSSEN DOELEN, INHOUDEN EN WERKWIJZE In de praktijk moet er voldoende samenhang zijn tussen doelen, inhouden en werkwijze. In het algemeen worden inhouden en werkwijze afgeleid van de doelen van de basiseducatie. Het nastreven van functionele doelen - de zogenaamde functionele gerichtheid - vereist een specifieke educatieve aanpak. Om een nuttig 'effect' in de leef- en werksituatie van de deelnemers tot stand te brengen, moeten de leerinhouden worden verbonden met de context van het dagelijks leven van de deelnemers. Centraal hierin staat de vraag welke inzichten en vaardigheden m.b.t. taal, rekenen en sociale kennis en vaardigheden cursisten nodig hebben. Deze inzichten en vaardigheden worden steeds geplaatst binnen contexten die voor de deelnemers in een groep relevant zijn en aansluiten bij hun ervaringswereld. Op deze manier leert de cursist de vaardigheden in de voor hem gewenste situaties gebruiken. Wanneer een groep bijvoorbeeld werk aan de vaardigheid 'kaartjes schrijven' wordt steeds gekeken in welke contexten de cursisten dit nodig hebben. Dezelfde vaardigheid kan geoefend worden in de context van vakantie, in de context van verjaardagen of feestdagen of voor deelname aan een kijkersvraag op TV. De behoeften van de cursisten bepalen welke contexten precies in de cursus aan bod komen. |
|
| Dit is de visietekst van CBE Roeselare geschreven in 1996 door Christel Laridon i.s.m. het volledige team en herwerkt in 2002 door Jeroen Backs. De tekst is gebaseerd op Bouwstenen voor het cursusaanbod basiseducatie (VOCB). |